preheader

Banner ESMO2017

Eerstelijnsbehandeling met osimertinib resulteert in een langere progressievrije overleving in vergelijking met erlotinib of gefitinib bij patiënten met EGFR-gemuteerde niet-kleincellige longkanker

Resultaten van de fase III FLAURA-studie tonen aan dat de derdegeneratie EGFR-tyrosinekinaseremmers (TKI) osimertinib superieur is aan erlotinib en gefitinib in de eerstelijnsbehandeling van patiënten met gevorderde niet-kleincellige longkanker (‘non-small cell lung cancer’, NSCLC) met een activerende EGFR-mutatie. Zo bleek osimertinib het risico op ziekteprogressie of overlijden te reduceren met 54% ten opzichte van de huidige standaardbehandeling. De mediane progressievrije overleving (‘progression-free survival’, PFS) met osimertinib was 18,9 maanden; bijna 9 maanden langer dan wat is vastgesteld met erlotinib of gefitinib. Opmerkelijk hierbij is dat het PFS-voordeel met osimertinib bijna identiek was bij patiënten met of zonder metastasen in het centraal zenuwstelsel (‘central nervous system’, CNS).

EGFR-mutaties komen voor bij ongeveer 15% van de NSCLC-patiënten in de Westerse wereld; bij Aziatische patiënten loopt dit percentage op tot 35%. In de eerstelijnsbehandeling van deze patiënten werd in het verleden aangetoond dat EGFR-TKIs superieur zijn aan chemotherapie. Hoewel het responspercentage hoog is en de PFS goed is met deze EGFR-TKIs, zullen alle patiënten na verloop van tijd resistentie ontwikkelen en uiteindelijk progressie vertonen. Osimertinib is een irreversibele EGFR-TKI van de derdegeneratie die selectief aangrijpt op een activerend en T790M-resistent EGFR-tyrosinekinase. In een preliminaire studie bij 60 onbehandelde NSCLC-patiënten met een activerende EGFR-mutatie bleek osimertinib een mediane PFS te geven van 20,5 maanden, wat bijna dubbel zo lang is als wat normaal wordt gezien met erlotinib of gefitinib in deze setting. Deze bevindingen vormden de basis voor de fase III FLAURA-studie.

De FLAURA-studie is een gerandomiseerde fase III-studie waarin 556 onbehandelde patiënten met gevorderd NSCLC en een activerende EGFR-mutatie, gerandomiseerd (1:1) werden tussen osimertinib (80mg 1x per dag, qd po), of de huidige standaard EGFR-TKI (gefitinib 250mg of erlotinib 150mg qd po). Het primaire eindpunt van de studie was PFS. Uit de gepresenteerde data bleek dat osimertinib geassocieerd was met een mediane PFS van 18,9 maanden ten opzichte van 10,2 maanden met erlotinib of gefitinib. Dit vertaalt zich in een reductie op het risico voor progressie of overlijden van 54% (HR[95%BI]: 0,46[0,37–0,57]; p < 0,0001). Dit PFS-voordeel met osimertinib werd gezien bij alle onderzochte subgroepen, inclusief patiënten met een CNS-metastase bij aanvang van de studie (n = 116; mediane PFS 15,2 versus 9,6 maanden; HR[95%BI]: 0,47[0,30-0,74]; p = 0,0009). De mediane duur van de respons was dubbel zo lang met osimertinib dan met erlotinib of gefitinib: 17,2 versus 8,5 maanden. Het algeheel responspercentage (‘overall response rate’, ORR) bedroeg 80% met osimertinib en 76% met erlotinib/gefitinib. De data over de algehele overleving (‘overall survival’, OS) waren op het moment van de analyse nog niet matuur, maar suggereren een voordeel voor osimertinib (HR: 0,63). Dit verschil was echter niet uitgesproken genoeg om te voldoen aan de voorwaarde voor statistische significantie op het moment van de interimanalyse. Voor geen van beide armen was de mediane OS al bereikt. De mediane totale duur van de behandeling bedroeg 16,2 maanden voor osimertinib en 11,5 maanden in de controle-arm. Bijwerkingen werden gerapporteerd bij 98% van de patiënten in beide armen. Wel was het percentage graad 3/4 bijwerkingen lager met osimertinib dan met erlotinib of gefitinib: 35% versus 45%. De behandeling moest worden onderbroken bij 13% van de patiënten behandeld osimertinib en bij 18% van de patiënten in de controle-arm door bijwerkingen. De meest voorkomende bijwerkingen met osimertinib waren diarree (58% [graad ≥3: 2%]) en een droge huid (32% [graad ≥3: <1%]). Met de standaardbehandeling waren diarree (bij 57% van de patiënten, graad ≥3 bij 3%) en acneïforme dermatitis (bij 48% van de patiënten, graad ≥3 bij 5%) de meest voorkomende bijwerkingen.

Samengevat toont deze studie de superioriteit aan van osimertinib ten opzichte van de huidige standaard eerstelijnsbehandeling met erlotinib of gefitinib bij patiënten met gevorderde NSCLC en een activerende EGFR-mutatie. Het PFS-voordeel met osimertinib over de huidige standaard was identiek bij patiënten met of zonder een CNS-metastase. Het bijwerkingenprofiel van osimertinib was bovendien ook gunstiger dan dat van erlotinib of gefitinib met een lagere incidentie van hooggradige bijwerkingen.

Referentie

Ramalingam S, Reungwetwattana T, Chewaskulyong B, et al. Osimertinib vs standard of care (SoC) EGFR-TKI as first-line therapy in patients (pts) with EGFRm advanced NSCLC: FLAURA. Gepresenteerd tijdens ESMO 2017; Abstract LBA2_PR.

Spreker Suresh Ramalingam

 ramalingam

Dr .Suresh S. Ramalingam, MD, Winship Cancer Institute of Emory University, Atlanta, Georgia, US


Zie: Keyslides

Back to Top