header

header1

Nivolumab verlengt de overleving van patiënten met gevorderde nierkanker

Uit resultaten van de fase III Checkmate-025-studie blijkt dat de PD-1 checkpointremmer nivolumab zorgt voor een significante levensverlenging bij patiënten met gevorderde nierkanker met ziekteprogressie na een eerstelijnsbehandeling. Bovendien bleek dat een behandeling met nivolumab ook geassocieerd was met minder hooggradige bijwerkingen dan een standaardbehandeling met everolimus.

De behandelopties voor patiënten met gevorderde nierkanker (‘renal cell carcinoma’, RCC) bij wie de eerstelijnstherapie faalde, zijn momenteel beperkt. In de Checkmate-025-studie werden in totaal 821 RCC-patiënten, die eerder behandeld waren met 1 of 2 regimes anti-angiogenese-therapie, gerandomiseerd tussen een behandeling met nivolumab (3 mg/kg intraveneus, om de 2 weken), of everolimus (10 mg oraal, 1x per dag). Het primaire eindpunt van deze studie was de totale overleving (‘overall survival’, OS), terwijl de secundaire objectieven onder andere het percentage objectieve responsen (‘objective response rate’, ORR) en de veiligheid omvatten.

Op het moment van de analyse bedroeg de follow-up minimaal 15 maanden en was 17% van de met nivolumab behandelde patiënten nog onder behandeling tegenover 7% van de patiënten in de everolimus-arm. Uit deze studie bleek dat de mediane OS met nivolumab 25 maanden bedroeg ten opzichte van 19,6 maanden met everolimus. Dit vertaalt zich in een significante reductie in het risico op overlijden van 27% indien men behandeld wordt met nivolumab (HR [98,5%-BI]: 0,73 [0,57-0,93]; p=0,0018). Verder bleek uit de analyse dat het percentage patiënten bij wie een afname van de tumormassa werd vastgesteld significant hoger was met nivolumab dan met everolimus (ORR: 25% versus 5,4%; OR [95%-BI]: 5,98 [3,68-9,72]; p<0,0001). De geobserveerde responsen in de studie waren over het algemeen partieel (25% met nivolumab en 5% met everolimus; p<0,0001); slechts bij een minderheid van de patiënten werd een complete respons vastgesteld (1% met nivolumab en 0,5% met everolimus). Daarnaast zag men bij een groot deel van de patiënten stabiele ziekte (34,4% met nivolumab en 55,2% met everolimus). De mediane progressievrije overleving (‘progression-free survival’, PFS) bedroeg 4,6 maanden met nivolumab tegenover 4,4 maanden met everolimus (HR [95%-BI]: 0,88 [0,75-1,03]; p=0,11).

Het significante overlevingsvoordeel met nivolumab ging niet ten koste van extra toxiciteit. Zo stelde men minder graad 3/4-bijwerkingen vast met nivolumab (19%) dan met everolimus (37%). De meest voorkomende bijwerkingen met nivolumab waren vermoeidheid (33%), misselijkheid (14%) en ernstige jeuk (14%). In de everolimus-arm waren de meest frequente klachten vermoeidheid (34%), ontstekingen van het mondslijmvlies (30%) en anemie (24%). Men stelde geen gevallen van behandelingsgerelateerd overlijden vast met nivolumab tegenover twee van dergelijke sterfgevallen met everolimus.

Samengevat toont deze fase III-studie aan dat een tweedelijnsbehandeling met nivolumab zorgt voor een significant langere overleving en een hoger responspercentage dan een standaardbehandeling met everolimus bij patiënten met gevorderde nierkanker. Bovendien was het veiligheidsprofiel van nivolumab superieur aan dat van everolimus. In reactie op deze positieve resultaten, die duidelijk het significante overlevingsvoordeel met nivolumab aantonen, werd de studie vroegtijdig gestopt in juli 2015.

Referentie

Sharma P et al. CheckMate 025: a randomized, open-label, phase III study of nivolumab (NIVO) versus everolimus (EVE) in advanced renal cell carcinoma (RCC). Presented at ECC 2015; Abstract 3LBA.

Spreker Padmanee Sharma

 Sharma1

Prof. Padmanee Sharma, MD, PhD
Professor of Medical Oncology, MD Anderson Cancer Center, Houston, TX, VS


Zie: Keyslides

Back to Top