header

header1

Nivolumab verhoogt de 1-jaarsoverleving van patiënten met niet-kleincellige longkanker

De behandelopties voor patiënten met niet-kleincellige longkanker (‘non-small cell lung cancer’, NSCLC) met een niet-squameuze histologie die ziekteprogressie vertonen na een behandeling met platinum-gebaseerde chemotherapie zijn beperkt. Momenteel bestaat de standaard tweedelijnsbehandeling voor deze patiënten uit een tweede ronde chemotherapie met docetaxel of pemetrexed. Eerdere data van de Checkmate-057-studie toonden aan dat nivolumab een betere tweedelijnsoptie is voor deze patiënten. Een update van deze studie, gepresenteerd tijdens het 2015 European Cancer Congress bevestigde dit. Zo toonde men aan dat significant meer patiënten die behandeld werden met nivolumab nog in leven waren na 12 maanden dan wanneer ze werden behandeld met docetaxel (51% versus 39%). Dit verschil in totale overleving (‘overall survival’, OS) werd ook gehandhaafd na 18 maanden met 39% overlevenden in de nivolumab-arm tegenover 23% bij docetaxel.

In de internationale, gerandomiseerde, fase III Checkmate-057-studie werden 582 patiënten met niet-squameuze NSCLC met ziekteprogressie na platinum-gebaseerde chemotherapie gerandomiseerd tussen een behandeling met nivolumab (3 mg/kg intraveneus om de 2 weken; n=292), of docetaxel (75 mg/m2 intraveneus om de 3 weken; n=290). Patiënten in de studie werden behandeld totdat ziekteprogressie optrad of tot de behandelingsgerelateerde toxiciteit niet langer aanvaardbaar was.

Uit de gepresenteerde analyse bleek dat de patiënten in de nivolumab-arm significant meer kans hadden om nog in leven te zijn na 12 en 18 maanden dan wanneer ze werden behandeld met docetaxel. Zo bedroeg het percentage patiënten dat nog in leven was na 12 maanden 51% en 39% voor respectievelijk nivolumab en docetaxel. Na 18 maanden was dit verschil nog steeds significant met respectievelijk 39% en 23% van de patiënten nog in leven onder respectievelijk nivolumab en docetaxel. De mediane OS bedroeg 12,2 maanden met nivolumab tegenover 9,4 maanden met docetaxel. Het objectieve responspercentage (‘objective respons rate’, ORR) bedroeg 19% met nivolumab ten opzichte van 12% met docetaxel (OR [95%-BI]: 1,7 [1,1-2,6]; p=0,0246). Ook de mediane responsduur was significant langer met nivolumab met 17,2 maanden versus 5,6 maanden met docetaxel.

Het overlevingsvoordeel van nivolumab over docetaxel werd gezien onafhankelijk van de mate van PD-L1-expressie bij patiënten. Wel stelde men vast dat het voordeel van nivolumab groter werd naarmate de PD-L1-expressie toenam. Zo bedroeg de HR van nivolumab versus docetaxel 0,59 (95%-BI: 0,43-0,82) bij een expressie PD-L1 in 1% of meer van de cellen, terwijl dit bij een expressie in 5% van de cellen of meer en in 10% van de cellen of meer respectievelijk 0,43 (95%-BI: 0,30-0,63) en 0,40 (95%-BI: 0,26-0,59) was. Ook stelden de onderzoekers vast dat de ORR hoger was bij patiënten met een hogere PD-L1-expressie. Zo werd aangetoond dat de ORR 31% bedroeg bij patiënten met PD-L1-expressie in minstens 1% van de cellen terwijl dit maar 9% bedroeg bij patiënten met een PD-L1-expressie van minder dan 1%. De PD-L1-expressie had echter weinig tot geen invloed op de duur van de respons op nivolumab, met een mediane responsduur van 16 maanden bij een expressie van 1% of meer en 18,3 maanden bij PD-L1-expressie in minder dan 1% van de cellen. Bij patiënten die docetaxel kregen, bedroeg de mediane responsduur 5,6 maanden, onafhankelijk van de PD-L1-expressie.

Patiënten in de nivolumab-arm hadden minder last van behandelingsgerelateerde, hooggradige (graad 3/4) bijwerkingen dan patiënten op docetaxel: respectievelijk 10% en 54%. De incidentie van graad 3/4-bijwerkingen werd niet beïnvloed door de PD-L1-expressie. Het percentage graad 3/4-bijwerkingen in de nivolumab-arm bedroeg 13% met nivolumab in vergelijking met 53% met docetaxel bij patiënten met een PD-L1-expressie van 1% of meer, terwijl dit bij patiënten met een expressie van minder dan 1% respectievelijk 8% en 58% bedroeg.

In lijn met wat werd gerapporteerd in eerdere studies, hadden rokende patiënten en patiënten met een rookgeschiedenis een grotere kans op een respons dan patiënten die nooit hadden gerookt (22% versus 9%). In de docetaxel-arm zag men geen relatie tussen de respons en de rookgeschiedenis met een responspercentage van 11% bij patiënten die rookten of ooit hadden gerookt en 15% bij patiënten die nooit rookten. Ten slotte keek men ook nog of er een invloed was van bepaalde mutaties op de respons. Het bleek dat patiënten met of zonder een EGFR-mutatie respectievelijk een responspercentage van 11% en 18% hadden op nivolumab en van 16% en 9% bij een behandeling met docetaxel.

Samengevat vormen deze bevindingen een sterk argument voor het gebruik van nivolumab in de tweedelijnsbehandeling van niet-squameuze NSCLC.

Referentie

Horn L, et al. Phase 3, randomized trial (CheckMate 057) of nivolumab (NIVO) vs docetaxel (DOC) in advanced non-squamous (non-SQ) non-small cell lung cancer (NSCLC): Subgroup analyses and patient reported outcomes (PROs). Presented at ECC 2015; Abstract #3010.

Spreker Leora Horn

 Horn

Leora Horn, MD, PhD
Associate professor of Medicine, Vanderbilt Ingram Cancer Center, Nashville, TN, VS


Zie: Keyslides

Back to Top