header

header website

Geen indicatie voor adjuvante chemotherapie bij patiënten met rectale kanker

De PROCTOR/SCRIPT-studie onderzocht de rol van postoperatieve chemotherapie na pre-operatieve radiotherapie of chemotherapie en totale mesorectale excisie (TME)-chirurgie bij patiënten met stadium II- en III-rectale kanker. Na een mediane opvolging van meer dan vier jaar kon men echter geen verschil aantonen in de totale overleving (‘overall survival'; OS), de ziektevrije overleving (DFS) en het percentage recidief tussen patiënten die wel of niet behandeld werden met adjuvante chemotherapie. Deze studie biedt dan ook geen indicatie voor het gebruik van postoperatieve chemotherapie bij deze patiënten.

De gepresenteerde analyse omvatte data van 470 patiënten uit de PROCTOR- en de SCRIPT-studie. In de PROCTOR-studie werden patiënten met opereerbare rectale kanker zonder verre metastases gerandomiseerd tussen observatie of postoperatieve chemotherapie (5FU/LV) met of zonder preoperatieve radiotherapie gevolgd door TME-chirurgie (N=177). In de SCRIPT-studie werd hetzelfde type patiënten gerandomiseerd tussen observatie of postoperatieve chemotherapie (capecitabine) na preoperatieve radiotherapie of chemoradiotherapie gevolgd door TME-chirurgie (N= 293). Het primaire eindpunt van de studie betrof OS, terwijl secundaire objectieven onder meer DFS, het percentage lokaal recidief en het gehalte verre metastases omvatten.

De vijfjarige OS in de studie bedroeg 74,4% voor patiënten die adjuvante chemotherapie kregen toegediend versus 75,9% voor patiënten in de observatiegroep (HR[95%BI]: 0,878[0,587-1,313]; p=0,527). Na 10 jaar was er wel een verschil merkbaar met een percentage OS van 65,1% in de chemotherapiearm en 55,8% in de observatiearm. Belangrijk hierbij is op te merken dat op dat moment slechts 15 patiënten nog ‘at risk’ waren in beide armen wat vraagtekens zet bij de relevantie van deze gegevens. Ook wat betreft DFS stelde men geen verschil vast tussen beide armen (HR[95BI]: 0,835[0,616-1,133]; p=0,247). Zo was de driejarige DFS voor patiënten in de adjudanten chemotherapiearm 67,4% tegenover 66,1% voor patiënten in de observatiearm. De vijfjarige DFS was respectievelijk 62,0% en 58,4%. Tenslotte kon men ook in het secundaire eindpunt van totaal recidief geen verschil opmerken tussen beide armen (HR[955BI]: 0,915[0,660-1,269]; p=0,167).

Samengevat levert deze analyse geen basis voor het gebruik van adjudante chemotherapie bij patiënten met stadium II- of III-rectale kanker. De huidige studie had veel problemen met de inclusie van patiënten (duurde in het totaal 13 jaar) wat resulteerde in bias bij zowel patiënten als artsen. Een meta-analyse van deze data samen met resultaten van de CHRONICLE-studie, een grote Italiaanse studie, kan mogelijk verdere inzichten verschaffen in het potentieel van adjuvante chemotherapie in deze opstelling. Tot die tijd bestaat er echter geen indicatie voor postoperatieve chemotherapie bij patiënten met stadium II- of III-rectale kanker.

Referentie

A, Breugom.C. van den Broek, C. van de Velde, et al. The value of adjuvant chemotherapy in rectal cancer patients after preoperative radiotherapy or chemoradiation followed by TME-surgery: The PROCTOR/SCRIPT study. Presented at the 2013 European Cancer Congress. Abstract BA1.

Spreker Cock van de Velde

 vandevelde

Cock J.H. van de Velde, MD, PhD
Board Member of the European CanCer Organisation (ECCO), Coordinator of Oncology, Universitair Medisch Centrum Leiden


Zie: Keyslides

Back to Top