header

headerASCO2014

Ibrutinib vertraagt de ziekteprogressie en verlengt de overleving van patiënten met resistente of refractaire chronische lymfatische leukemie

De therapeutische opties voor patiënten met chronische lymfatische leukemie (CLL) bij wie een behandeling met chemo-immunotherapie faalde, zijn schaars. Data van de fase III RESONATE studie bij dit type patiënten tonen nu echter aan dat ibrutinib, een remmer van het Bruton’s tyrosinekinase, geassocieerd is met een significant langere progressievrije (‘progression-free survival’, PFS) en totale overleving (‘overall survival’, OS) dan een standaardbehandeling met ofatumumab. Dit maakt ibrutinib het eerste geneesmiddel waarmee een overlevingsvoordeel werd aangetoond in een klinische studie met refractaire of resistente CLL patiënten (‘relapsed/refractory CLL’, R/R CLL).

De standaardbehandeling voor CLL patiënten bestaat momenteel uit chemo-immunotherapie waarbij chemotherapie gecombineerd wordt met een antilichaam zoals rituximab. Veel oudere patënten, die de grootste groep CLL patiënten vormen, kunnen een dergelijke intensieve chemotherapie vaak niet verdragen. Ofatumumab vormt een alternatieve optie voor deze patiëntengroep, maar deze behandeling is helaas minder effectief. In de fase III RESONATE studie werden 391 patiënten met R/R CLL bij wie minstens 1 eerdere behandeling faalde, gerandomiseerd tussen een behandeling met ibrutinib (420 mg/dag) (N = 195) of ofatumumab (300/2000 mg IV voor 12 doses) (N = 196). Patiënten in de ibrutinib-arm hadden gemiddeld 3 eerdere behandelingen ondergaan, tegenover 2 patiënten in de ofatumumab-arm.

Na een mediane opvolging van 9,4 maanden bleek dat de PFS significant langer was bij patiënten die ibrutinib kregen toegediend in vergelijking met patiënten die ofatumumab kregen (mediane PFS niet bereikt versus 8,1 maanden; HR[95%CI]: 0,215[0,146-0,317]; p<0,0001). Dit toont aan dat bijna 80% van de patiënten nog in remissie was na 1 jaar ibrutinib- therapie. Dit is het dubbele van wat verwacht kan worden met de huidige standaardtherapie. Dit PFS-voordeel van ibrutinib vertaalde zich bovendien ook naar een sinificant langere OS (HR[95%CI]: 0,434[0,238-0,789]; p = 0,0049). Daarnaast was het percentage patiënten met een tumorrespons significant hoger in de ibrutinib-arm vergeleken met de ofatumumab-arm (42,6% versus 4,1%; p< 0,0001). In totaal 20% van de patiënten in de ibrutinib-arm vertoonde een partiële respons met persistente lymfocytose. Dit klinische voordeel van ibrutinib werd ook waargenomen bij twee subgroepen met een zeer hoog risico: patiënten met een 17p-deletie en patiënten die refractair waren voor een purine-analoog.

In beide armen stelde men een Richter’s transformatie vast bij 2 patiënten. De meest voorkomende bijwerkingen met ibrutinib versus ofatumumab waren: diarree (47,7% versus 17,8%), vermoeidheid (27,7% versus 29,8%) en misselijkheid (26,2% versus 18,3%). Daarnaast kwam atriumfibrilleren frequenter voor met ibrutinib dan met ofatumumab (5,1% versus 0,5%).

Samengevat hadden patiënten in de RESONATE studie die ibrutinib kregen toegediend 80% minder kans op ziekteprogressie en 57% minder kans om te overlijden dan patiënten in de ofatumumab-arm. Dit overlevingsvoordeel is nog indrukwekkender wanneer men rekening houdt met het feit dat een significant deel van de patiënten die gerandomiseerd werden in de ofatumumab-arm op het moment van ziekteprogressie overschakelde op ibrutinib. Verder werd de ibrutinib-therapie goed verdragen. Ibrutinib vormt daarmee een nieuwe behandeloptie voor patiënten met R/R CLL, waaronder oudere patiënten die niet in aanmerking komen voor intensieve chemotherapie.

Referentie

Byrd J, Brown J, O’Brien S-M, et al. Randomized comparison of ibrutinib versus ofatumumab in relapsed or refractory CLL: results from the phase III RESONATE trial. Presented at ASCO; Abstract LBA7008.

Spreker John Byrd

 Byrd

John Byrd, MD, PhD,
Ohio State University, Columbus, Ohio, USA


Zie: Keyslides

Back to Top